Boerderij Groot Appel bij Nijkerk, de historie van een leengoed

De buurtschap Appel bij Nijkerk is een prachtig gebied dat uit tal van oude boerderijen met landerijen en moerasbosjes bestaat. Een cultuurhistorisch zeer waardevol gebied waarvan de kleinschaligheid direct terugverwijst naar de (late) middeleeuwen. Grote delen van Appel waren in het verleden in bezit van kloosters. Een specifieke beheersvorm van deze kloosters zijn de zogenaamde leengoederen geweest. In Appel lagen er meerdere en één daarvan was Groot Appel. In dit artikel wordt stilgestaan bij de herkomst van deze leengoederen aan de hand van de geschiedenis van het goed Groot Appel en het nabijgelegen leengoed Oostereng. Een artikel over leenheren en leenmannen tegen de achtergrond van het prachtige landschap van Appel.

Dit artikel is tevens geplaatst in het tijdschrift van de Stichting Oud Nijkerk, nummer 3, september 2015.

Artikel Groot Appel

2 thoughts on “Boerderij Groot Appel bij Nijkerk, de historie van een leengoed

  1. Beste Peter,

    Met veel intersse heb ik uw diepgravende onderzoek naar groot Appel gelezen.
    Momenteel doe ik zelf onderzoek naar de activiteiten van EJB van Goltstein (1664-1744) in het kader van een onderzoek naar de geschiedenis van rabatten in de Graafschap. Eerder genoemde van Goltstein was net als zijn naamgenoot aan het einde van de 18e eeuw, heer van Groot Appel.
    Bent u in uw studie naar Groot Appel of de Appeler maalschap ooit gestuit op de aanleg van (eiken-) hakhout op dijken, ontstaan door het graven van greppels (later rabatten genoemd)?

    Ik zou u erg erkentelijk zijn als u hier op wilt reageren.

    Met een vriendelijke groet
    Adri Mulder
    docent landschapsgeschiedenis
    Saxion Hogeschool Deventer

    • Beste Adri,

      In het landschap rondom Nijkerk-Putten-Voorthuizen liggen tal van zogenaamde ‘rabattenbossen’; veelal kleine percelen met greppels en wallen waar hakhout op wordt en werd geteeld. De ouderdom van deze rabatten is lastig te achterhalen. In de archieven over het landschap van dit gebied ben ik de term nooit tegengekomen. Wel wordt vnl. in archiefstukken uit de 17e eeuw gesproken van ‘looien’, loyen” of ‘looienbed’. Dit woord verwijst naar loot of lot: scheut, jonge tak maar in Gelderland speciaal een stek van een struik of boom of in het algemeen jonge aanplant (Hagoort, Bijdrage tot de toponymie van Putten, 1984). In veel gevallen zijn deze ‘looien’ tegenwoordig ook rabattenbossen. In het archief van de Kelnarij van Putten (het hofarchief van de Abdinghof te Paderborn) zit een uitgebreid 17e eeuws stuk over regels en beheer van de verkoop van hout en heggen van de zgn. pachtgoederen van de Kelnarij. Het gaat daarbij om verkoop van hout uit de houtwallen rond akkers en hout uit hakhoutpercelen (hier en daar ‘looien’ genoemd). Het woord rabatten komt hier niet in voor. Dit betekent echter niet dat de ‘looienbedden’ niet uit rabatten bestonden. Sterker, gezien de plaats van veel van deze hakhoutpercelen, zal de houtteelt op dijkjes of rabatten moeten hebben plaatsgehad omdat anders de boomwortels in het water stonden. We vinden deze hakhoutpercelen dan ook meestal terug op de lagere delen in het landschap (geomorfologisch gezien veelal de (dekzand)geulen (veelal oude smeltwatergeulen), bodemkundig vaak de sterk ijzerhoudende beekeerdgronden met veelal ijzeroer in de bovenste meter. Ik vermoed dat veel van deze rabatten een middeleeuwse herkomst hebben. Vooral in het vrij gave landschap van Hell, Appel, Gerven en Slichtenhorst maken deze percelen namelijk integraal onderdeel uit van de kampontginning en daarmee van het landbouwsysteem. De rabatten liggen vaak omwald als onderdeel van de akker, in de ontginning. Een mooi voorbeeld hiervan is het artikel over het perceel Eerdbergen op mijn site. In dit artikel verwijs ik naar nog een viertal van deze omwalde rabattenbosjes in deze omgeving. Hout was, behalve voor het gebruik voor het boerenbedrijf zelf, waarschijnlijk ook een aanvullende inkomstenbron of ruilmiddel voor de middeleeuwse boeren. Hier heb ik ik echter nooit feitelijk bewijs van gevonden in de beheerarchieven. Wel wordt in bijvoorbeeld de Verpondingscohiers uit de 17e eeuw verwezen naar de aanwezigheid van ‘hegholt’ en dus het economisch belang daarvan. Bodemkundig bewijs heb ik in de buurtschap Gerven op meerdere plaatsen gevonden; de hakhoutranden rond meerdere percelen liggen op plaggenbodems. Er werd dus moeite gedaan om de bodemgesteldheid van deze hakhoutkragen te verbeteren waardoor de opbrengst aan hout ook beter werd.

      Overigens heeft A. Jansen het artikel geschreven ‘Groot Appel, Wat oude kaarten vertellen over eng en walburg’, Tijdschrift van Stichting Oud Nijkerk, 2016, deel 1. Hierin gaat hij op basis van archiefmateriaal en een een kaart uit het gemeentearchief van Nijkerk, diep in op de verdeling van het goed Groot Appel in 1692. In dat jaar kwamen Maria de Rechignevoisin, douarière Van Golstein namens haar zoon Reinier Carel van Goltstein als bezitter van drie vierde delen en Ernst Verschuur als bezitter van een vierde deel overeen hun bezit te verdelen. Een mooi artikel dat nader ingaat op het goed Groot Appel en de rol van de Golstein bij dit goed in de nieuwe tijd.

      Mocht je naar aanleiding van mijn antwoord nog vragen of aanvullingen hebben dan hoor ik het graag. Ben ook zeker benieuwd naar nieuw onderzoek naar rabatbossen.

      Groet,

      Peter Bijvank.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s